|
Kennis van de kenniseconomie Publiekscommunicatie noodzakelijk voor actieve deelname van burgers aan kenniseconomie Wetenschap en kenniseconomie behoeven goed opgeleide, actieve
en betrokken burgers. Maar wat vinden die burgers daar zelf van? Ondanks
dat de kenniseconomie hoog op de politieke agenda staat, beseffen de
meeste burgers nog weinig wat de kenniseconomie voor henzelf betekent,
aan (extra) opleidingsbehoeften en kansen op de arbeidsmarkt. En zij
rekenen vooral op bedrijfsleven en overheid voor de positieve effecten.
Dit blijkt uit een onderzoek, uitgevoerd door TNS NIPO in opdracht
van Stichting Weten. Vier jaar geleden liet Stichting Weten de opinie peilen onder de Nederlandse bevolking ten aanzien van wetenschap en techniekcommunicatie. Het beeld was toen positief als het gaat om draagvlak en interesse voor wetenschap en techniek. Televisie kwam als favoriet informatiemedium naar voren. Anno 2004 is hierin weinig veranderd. Wel is het thema kenniseconomie nadrukkelijk op de maatschappelijke agenda gekomen. De ontwikkeling van de kenniseconomie kan rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak. De positieve houding van burgers is opvallend gelet op het onduidelijke beeld dat zij hebben van de kenniseconomie. Gevraagd naar hun associaties met het begrip kenniseconomie kan 25% van de Nederlandse bevolking daar geen antwoord op geven. Een ruime meerderheid heeft er van gehoord, maar gist naar de exacte betekenis. De kenniseconomie is vooral een discussie in de politiek, de universitaire wereld en enkele segmenten van het bedrijfsleven en kent weinig vertakkingen in de samenleving. Dit gebrek aan kennis en informatie vormt een bedreiging voor de maatschappelijke discussie over de ontwikkeling van de kenniseconomie en de ontwikkelingen in de wetenschap die daaraan nauw verwant zijn. Om te kunnen meepraten of meebeslissen moeten burgers goed geïnformeerd
zijn. Aan die democratische voorwaarde is tot op heden in onvoldoende
mate voldaan. Daarom is het van belang dat de discussie over wetenschap
en de kenniseconomie concreter wordt en niet over de hoofden van burgers
en werknemers wordt gevoerd, maar met en door hen. Anders blijft het
alleen 'interessant', of zelfs 'zelfverrijking' en 'gebakken lucht'.
Om dit te voorkomen moet volgens Stichting Weten op korte termijn een
actieve en concrete samenwerking tot stand komen tussen overheid, bedrijfsleven,
kennisinstellingen en communicatiepartners, om samen met betrokken burgers,
werknemers en jongeren de concrete consequenties van de kenniseconomie
te verhelderen. Zeven conclusies over de Kennis van de kenniseconomie 1. Publiek wil meer weten over wetenschap en techniek 2. Veel onduidelijkheid over de Kenniseconomie Na een omschrijving van het begrip 'kenniseconomie' geeft maar één op de tien Nederlanders aan hiervan veel te weten, zegt bijna de helft (47%) er niet zoveel van te weten en weet de rest (44%) een beetje tot niets. Kortom: het onderwerp kenniseconomie is voor de meeste mensen vooral onduidelijk. 3. Kenniseconomie is vooral voor en van hoogopgeleiden Des te opmerkelijker is de uitkomst uit deze opiniepeiling dat een ruime meerderheid (70%) van de bevolking van 16 jaar en ouder aangeeft het belang van de kenniseconomie in te zien, en hiervan positieve (36%) of in elk geval geen negatieve gevolgen voor zichzelf te zien (41%), of het niet te weten (18%). Slechts een kleine minderheid (5%), waaronder relatief veel laaggeschoolden, ziet negatieve effecten. 4. Bedrijven zorgen voor banen, overheid voor investeringen in onderwijs
en sociaal welzijn De positieve houding ten aanzien van de kenniseconomie wordt enigszins gerelativeerd door de mening van velen dat het bedrijfsleven moet zorgen voor voldoende banen voor mensen met een technische opleiding (90% eens met deze stelling), en dat de overheid moet investeren in 'sociaal welzijn' (80% eens). Met andere woorden: dat overheid en bedrijfsleven de mogelijk negatieve gevolgen voor burgers wegnemen. Bij negatieve (werkgelegenheids-) effecten kan het draagvlak afnemen. 5. Positieve houding en passief gedrag Veel mensen kunnen de positieve houding ten opzichte van de kenniseconomie niet vertalen in eigen keuzes en activiteiten rond (bij-)scholing en het verwerven van nieuwe vaardigheden als werknemer. Om hierin te ondersteunen is naast extra concrete communicatie via overheid, werkgevers en scholen, ook massamediale informatie van belang om risicogroepen te bereiken, met name mensen met een lagere opleiding en jongeren. 6. TV en internet zijn de informatiekanalen voor wetenschap, techniek
en kenniseconomie 7. School en werk zijn de plekken voor het bevorderen van actieve deelname
aan de kenniseconomie |